Vanuit het atelier in Hradec Králové groeide Petrof aan het einde van de 19e eeuw uit tot een regionale industriële speler. De ligging—met toegang tot resonantie-spar uit de Boheemse en Karpatische regio’s—was ideaal. In de jaren vóór 1914 investeerde Petrof in drogerijen met gecontroleerde luchtstromen en in metaalbewerking voor frame-gietstukken, waardoor het huis meer ketenregie kreeg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stokte de export; na 1918 werd de Tsjechoslowaakse republiek echter snel een exporthub, en Petrof profiteerde met leveringen naar Duitsland, de Balkan en later ook Azië.
De Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende nationalisatie (vanaf 1948) veranderden alles. Petrof werd onderdeel van een staatsconcern dat meerdere Tsjechische pianomerken bundelde. Productie-efficiëntie en aantallen kregen prioriteit, maar binnen die context hield Petrof zich staande als kwaliteitslabel. In deze periode doken ook nevenmerken op (zoals Rösler, Weinbach, Scholze) die als tweede lijn of exportlabel dienden; locaties buiten Hradec—zoals Jihlava—speelden periodes lang mee in productie en subassemblage. Ondanks centrale planning bleven houtselectie en zangbodem-bouw een Troef; Tsjechische spar, beuk en esdoorn waren ruim beschikbaar.
Met 1989/1991 kwam de reprivatisering: de familie Petrof nam het roer weer over, moderniseerde productielijnen (CNC-frezen, nauwkeuriger rim-laminaten, verbeterde pinblokken) en verscherpte kwaliteitscontrole. De 2000’s brachten een internationalere portfolio: stijllijnen met traditionele en moderne kasten, Art Collection (designafwerkingen) en—belangrijk—een fijnere segmentering in modellen (P118, P125, P131; P159 “Bora”, P173 “Breeze”, P194 “Storm”, P210 “Pasat”, P237 “Monsoon”, P284 “Mistral”). Het bedrijf positioneerde zich nadrukkelijk als Europees alternatief met eigen klankesthetiek, tussen de Japanse consistentie en de Duitse topmerken in.
Vandaag werkt Petrof met lange-termijnleveranciers voor hamerkoppen (veelal Abel/Renner afhankelijk van serie) en met Tsjechische specialist Detoa voor mechaniekdelen, terwijl de eindregulatie, voicing en afwerking in Hradec Králové plaatsvinden. De onderneming blijft familie-geleid en exporteert wereldwijd; Oost-Europa, Duitsland, Italië, Spanje en delen van Azië zijn kernmarkten. Petrof onderhoudt tevens relaties met conservatoria en festivals, waarbij speciale afwerkingen (wit, satijn, art-finishes) en stiltesystemen (third-party silent/record) op aanvraag worden geïntegreerd.
Chronologie:
• 1864 – Antonín Petrof richt atelier op in Hradec Králové.
• 1874–1880 – Uitbreiding met droogkamers en gietwerkpartners; export naar Wenen/Duitsland.
• 1881 – Eerste staande piano; start schaalvergroting.
• 1895–1905 – Investeringen in metaal-/houtafdelingen; groei naar industriële productie.
• 1918–1938 – Exportgroei in nieuwe Tsjechoslowaakse republiek; introductie stijlvarianten.
• 1948 – Nationalisatie binnen staatsconcern; consolidatie met merken als Rösler/Weinbach/Scholze.
• 1950–1970 – Productielocaties o.a. Hradec Králové en Jihlava; focus op volume + basisexport.
• 1970s – Modernisering van mallen/frames; sterkere pinblokken, consistenter afregeling.
• 1989–1991 – Reprivatisering door familie Petrof; koers terug naar kwaliteitsaccent.
• 1990s – Nauwkeuriger CNC-bewerking; selectie Abel/Renner-hamers; exportherpositionering.
• 2000–2008 – Nieuwe modelnamen (P-series); Art Collection; internationale dealers.
• 2010–2015 – Verdere kast-/rim-optimalisatie; marketing rond Boheemse klankidentiteit.
• 2016–heden – Portfolio-verfijning (P118/P125/P131; P159–P284); focus op export en custom-afwerking.