Rond 1880–1914, de hoogconjunctuur voor de Duitse pianobouw, werkte Gebr. Forster in de slipstream van de grote centra Leipzig en Dresden. De keten van toeleveranciers (zangborden uit fijnspar, kammen van beuken/ esdoorn, besnaring uit Markneukirchen-omgeving) maakte het mogelijk om betaalbare maar degelijk gebouwde rechte piano’s (120–135 cm) en enkele salonvleugels te leveren. Waar topnamen hun eigen schaalontwerpen en patenten uitbouwden, leunde Forster vaker op beproefde schaalplannen en pragmatische, iets conservatieve mensuren. In de jaren twintig en vroege dertig volgde modernisering van kastlijnen (strakkere vormgeving, gestandaardiseerde bevestigingen voor valk- en toetsenbehuizing) en stapte men over op efficiëntere montage-opstellingen, zonder de werkplaatsidentiteit te verliezen. De Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse politieke hertekening van Saksen troffen middelgrote familiebedrijven hard: materiaal-schaarste, personeelsverloop, en latere centralisatie in VEB-structuren (staatsondernemingen) beperkten de bewegingsruimte. Veel autonome namen verdwenen, fuseerden, of produceerden nog slechts in kleine series. Gebr. Forster verdwijnt in bronnen na de jaren vijftig grotendeels uit het zicht als zelfstandig merk; overgeleverde instrumenten zijn daarom veelal vooroorlogs of van vlak erna. Op de tweedehandsmarkt kom je ze tegen met Renner-actie of gelijkwaardige componenten, massief sparren zangbord en een degelijk (soms zwaar) gietijzeren frame. Restauraties richten zich doorgaans op nieuwe besnaring, kamcorrectie, vervanging of herintonatie van hamers, en regulatie van repetitie-parameters om de aanslagrespons naar modern comfort te brengen. Forster-piano’s behouden daarbij een herkenbare, ‘Duitse’ projectie: niet zo fluwelig als sommige Weense stemmen, eerder recht en helder met een redelijke dynamische reserve.
Chronologie
• 1870–1885 – Start en consolidatie van Gebr. Forster als familieatelier in Saksen; focus op rechte piano’s.
• 1890 – Uitbreiding van leveringsgebied via muziekhandels in Leipzig/Dresden; eerste export naar Oostenrijk-Hongarije.
• 1895–1905 – Opschaling productie; toepassing van beproefde schaalplannen en gietramen van regionale gieterijen.
• 1905–1914 – Portfolio verbreed met salonvleugels (ca. 160–180 cm); actie-leveringen veelal van Renner.
• 1914–1918 – Oorlogsjaren: materiaal- en arbeidskrapte; lagere volumes, nadruk op reparatie.
• 1920–1928 – Modernere kastlijnen; verbeterde besnaring (staal/bassnaren uit Markneukirchen-keten).
• 1929–1932 – Economische neergang; productie teruggeschakeld, service en revisie winnen aan belang.
• 1933–1939 – Stabilisatie binnen binnenlandse markt; bescheiden export.
• 1939–1945 – Tweede Wereldoorlog: onderbrekingen, leveringsproblemen, verlies aan capaciteit.
• 1945–1949 – Naoorlogse herstart op kleine schaal; focus op onderhoud/restauratie.
• 1950–1955 – Integratie met regionale VEB-structuren of geleidelijke stopzetting als zelfstandige firma (bronverschraling).
• 1960–1970 – Forster-naam vooral zichtbaar op gebruikte instrumenten; revisies door onafhankelijke werkplaatsen.
• 1980–1990 – Opkomst gespecialiseerde restaurateurs die vooroorlogse Duitse piano’s (incl. Forster) herwaarderen.
• 2000–heden – Gebr. Forster bestaat niet als moderne serieproductie; merk leeft voort via vintage/restauratie.
• 2010–heden – Tweedehandsmarkt: incidentele high-end restauraties met nieuwe hamers/besnaring; niche-publiek.