De fabriek in Alès breidde in de jaren zestig en zeventig gestaag uit. Er kwamen eigen houtopslagruimten en droogkamers, een kastenafdeling en voicing/afregelbanken. De productie bereikte een serieuze schaal voor Franse begrippen: duizenden instrumenten per jaar, met een portfolio dat liep van instapuprights tot middelgrote vleugels. Het merk bouwde relaties op met scholen, conservatoria en cultuurcentra en leverde tevens aan exportmarkten in West-Europa.
In de jaren tachtig werd de werkvloer gemoderniseerd met CNC-voorbewerking en gestandaardiseerde onderdelen. Het doel was maatvastheid en voorspelbaarheid, niet grootschalige massaproductie. De instrumenten uit deze periode staan bekend om een nette, functionele afwerking, redelijk stabiele stemming en een speels, helder karakter.
De concurrentiedruk nam toe in de jaren negentig. Om schaalvoordelen en distributie te bundelen, werd Rameau samengebracht met de Franse merknamen Pleyel en Gaveau. Deze “Franse groep” moest de nationale pianobouw nieuw elan geven, maar ondanks gedeelde logistiek en marketing bleef de bedrijfseconomische ruimte beperkt. De globalisering van toeleverketens en de sterke Japanse en Duitse concurrentie drukten op de marges.
Rond 2000 volgde de overname door Samick. De merknaam Rameau bleef bestaan, maar de productie werd stapsgewijs verplaatst naar internationale fabrieken binnen de Samick-groep (Korea/China). In Frankrijk bleven een periode lang assemblage en eindafregeling bestaan, totdat de fabriek in Alès definitief sloot. De oorspronkelijke Rameau-architectuur verdween daarmee, hoewel de naam incidenteel nog als label werd gebruikt voor serie-instrumenten uit Samick-productie.
Vandaag heeft Rameau geen eigen fabriek en geen autonoom ontwikkelteam meer. De historische waarde ligt vooral in de Alès-instrumenten (1960s–1990s), die op de tweedehandsmarkt worden gezocht door liefhebbers van een Frans timbre en door prijsbewuste kopers die een Europese middenklasser willen met een eigen karakter. Onderdelenvoorziening is in het algemeen goed te organiseren dankzij de destijds gebruikte standaardcomponenten (snaren, hamers, mechaniekdelen) die nog steeds leverbaar of vervangbaar zijn.
Chronologie
• 1960s – Oprichting van Rameau in Alès; start met compacte huiskamerpiano’s.
• 1970s – Uitbreiding met 120–125 cm uprights en 160–180 cm vleugels; groei tot grootste Franse producent.
• 1980s – Modernisering met CNC-voorbewerking; verbetering maatvastheid en afregeling.
• 1990s – Integratie met Pleyel en Gaveau in een Franse groep; gezamenlijke distributie.
• 2000–2002 – Overname door Samick; begin van internationale serieproductie onder de naam Rameau.
• 2000s – Sluiting fabriek Alès; naam blijft nog gebruikt voor Samick-productie.
• 2010s – Rameau verdwijnt grotendeels als actieve bouwer; merknaam sporadisch op OEM-modellen.Rameau-piano’s uit de Franse periode klinken helder, licht en elegant, met een sprekend middenregister en een briljant maar niet scherp hoog. De compacte uprights (110–115 cm) zijn intiem en articulerend, ideaal voor studie en woonkamers. De 120–125 cm-klasse levert merkbaar meer projectie en sustain, zonder het timbre te verzwaren; de toon blijft verfijnd en “Frans”. De salonvleugels (160–180 cm) hebben een transparant midden en een luchtige bas; niet overdonderend, wel muzikaal gericht en geschikt voor kamermuziek en lied. Het speelgevoel is licht tot medium, met vlot repeterende mechanieken die prettig zijn voor leerlingen en docenten. In vergelijking met Duitse tegenhangers is de toon minder massief en is de bas minder dominant; tegenover Japanse middenklassers zijn Rameau’s kleurrijker, maar mechanisch soms wat minder uniform. De instrumenten reageren goed op intonatie en kunnen door een kundig technicus warmer of juist briljanter worden geprofileerd.