In de late achttiende eeuw maakte Érard carrière in Parijs als hofleverancier en bouwer van luxe klavierinstrumenten. De Franse hoofdstad bood een rijke markt van salons, aristocratische muziekcultuur en later ook publieke concertzalen. De eerste fabriek stond in Parijs; rond 1790–1800 startte Érard tevens een vestiging in Londen. De Britse fabriek en het Parijse moederhuis produceerden in de negentiende eeuw naast elkaar, met uitwisseling van ontwerpen, mallen en patenttechniek. Het bedrijf groeide mee met de stijgende vraag naar grotere, krachtiger piano’s die zich konden meten met het groeiende orkestapparaat en de concertpraktijk.
De absolute doorbraak werd de dubbelescapement-actie (patent 1821), die de toetsaanslag voorzag van een “repetitielever” zodat de hamer snel opnieuw kon slaan zonder tot de rustpositie terug te keren. Hierdoor konden virtuoze passages sneller en gelijkmatiger worden gespeeld en kreeg de pianist meer controle in het ppp–fff-spectrum. Ook de toepassing van (schroefbare) agrafes, verbeterde demper-timing en nauwkeuriger snaar-scaling droegen bij aan het karakteristieke Érard-geluid: helder, projecterend, maar niet hard. In de loop van de negentiende eeuw werden de kasten groter en de schaalontwerpen krachtiger, met dikkere zangbodems, grotere gietramen en kruissnarigheid in latere generaties.
Érard fungeerde tevens als cultureel anker: het Parijse concertpodium Salle Érard werd een centrum voor premières en kamermuziek. De combinatie van technische innovatie en maatschappelijke zichtbaarheid gaf het merk internationale prestige. In de tweede helft van de negentiende eeuw nam de concurrentie toe: Duitse huizen (Bechstein, Blüthner, later ook Steinway Hamburg) ontwikkelden hun eigen techniek en schaalontwerpen met een nog massiever toonbeeld; Britse bouwers professionaliseerden. Érard bleef sterk, maar de suprematie werd gedeeld.
In de twintigste eeuw veranderde het speelveld. De Eerste Wereldoorlog en economische crises verstoorden grondstoffen, arbeid en markten. Érard produceerde nog steeds in Parijs en Londen, maar de schaal liep terug. In de periode na de Tweede Wereldoorlog ontstond een Franse consolidatie met Pleyel en Gaveau; de merknamen werden in verschillende combinaties gevoerd en organisatorisch samengebracht. De productie werd kleiner en selectiever, terwijl de internationale markt verschoof richting grootschalige Duitse en Amerikaanse seriebouw en — vanaf de jaren zestig — Japanse precisieproductie. De zelfstandige pianobouw van Érard doofde uit; de harptraditie (een ander innovatieveld van Érard) vond deels via andere huizen een vervolg. Tegenwoordig bestaat er geen eigen Érard-pianofabriek meer; het merk leeft voort in bestaande instrumenten, in archieven en in de techniek die de moderne piano blijvend heeft gevormd.
Chronologie
• 1750s–1770s – Start van de Érard-werkplaats in Parijs; vroege klavierinstrumenten.
• ca. 1790–1800 – Uitbreiding met een fabriek/werkplaats in Londen; internationale afzet.
• 1808–1810 – Verdere verbeteringen in escapement en dempermechaniek; professionalisering van schaalontwerp.
• 1821 – Patent dubbelescapement-actie: revolutie in repetitie en toucher.
• 1830–1860 – Groei van vleugelmodellijn; Salle Érard wordt cultureel podium; export naar Europa.
• 1870–1900 – Doorontwikkeling gietramen, snaren-scaling en kaststijfheid; concurrentie met Duitse huizen.
• 1900–1930 – Kleinschaliger productie; Parijs en Londen blijven actief; nadruk op kwaliteitsinstrumenten.
• 1930s–1940s – Economische crisis en oorlog; productie en export onder druk.
• 1950s – Integrale samenwerking/verbanden met Pleyel en Gaveau; afname van zelfstandige productie.
• 1960s – Einde van grootschalige Érard-pianobouw; merk blijft als historische referentie.
• 2000s–heden – Érard aanwezig in musea, collecties, opnames op historische instrumenten en gespecialiseerde restauratie-ateliers.