Oorsprong en oprichting van Bösendorfer
De wortels van Bösendorfer liggen bij Ignaz Bösendorfer (1796–1859), zoon van een meubelmaker uit Wenen. Als leerling van Joseph Brodmann leerde hij het vak van binnenuit, waarna hij in 1828 zijn eigen werkplaats opende. Zijn piano’s werden al snel gevierd om hun robuuste bouw en hun zangerige, kernrijke toon die uitstekend paste bij het virtuoze repertoire van de 19e eeuw. Franz Liszt – berucht om het “opspelen” van instrumenten – adopteerde Bösendorfer; het merk brak internationaal door en werd hofleverancier van het Keizerlijk-Koninklijk Hof. In 1872 opende de beroemde Bösendorfer-Saal, een intieme concertzaal die het merk een eigen podium gaf en waarin talloze premières klonken. De familie hield vast aan een ambachtelijke werkwijze en een klankideaal dat minder percussief en meer cantabile is dan de meeste concurrenten. Na Ignaz namen zijn zoon Ludwig en latere generaties de leiding over. De 20e eeuw bracht eigendomsoverdrachten en verplaatsingen, maar de klankesthetiek bleef onaangetast. Vandaag waakt een team van meesters over elk instrument; per jaar verlaat slechts een beperkte productie het atelier – een bewuste strategie om het topniveau te borgen.