Aan het eind van de negentiende eeuw bouwde Gaveau zijn Parijse productie uit met een moderne fabriek (bekend stond onder Gaveau-Paris), terwijl het merk tevens een eigen concertpodium vestigde: de Salle Gaveau. Deze zaal werd een centrum voor kamermuziek en recitals en functioneerde als etalage voor de huisinstrumenten. De fabriek leverde in deze periode een breed palet aan piano’s: compacte huiskamermodellen voor de stedelijke burgerij, hoge staande piano’s voor onderwijsinstellingen en salon- tot grote vleugels voor zalen.
In de vroege twintigste eeuw moderniseerde Gaveau zijn productie: gietijzeren ramen werden robuuster, schaalontwerpen krachtiger en de mechaniek verfijnder. De toon werd daarmee iets projectiever maar bleef herkenbaar Frans; pianisten waardeerden het transparante midden en het precieze hoog. De export betrof vooral buurlanden, terwijl in Parijs de merknaam stevig verankerd raakte in het concertleven.
De economische schokken van het interbellum, gevolgd door de Tweede Wereldoorlog, troffen de Franse instrumentenbouw zwaar. Gaveau hield stand, zij het met kleinere series. In de naoorlogse jaren werd de concurrentie van grootschalige Duitse en later Japanse seriebouw voelbaar. Om schaal, distributie en R&D te bundelen, werden in de tweede helft van de twintigste eeuw organisatorische verbanden gelegd tussen Gaveau, Pleyel en Érard. De drie historische merknamen deelden management en middelen; afzonderlijke productielijnen werden afgeschaald.
In de laatste decennia van de twintigste eeuw liep de zelfstandige pianoproductie van Gaveau terug en stopte uiteindelijk. De merknaam bleef als erfgoed bestaan; instrumenten bleven zichtbaar in zalen en privécollecties en vonden een tweede leven via restauratie-ateliers en de occasionmarkt. Vandaag bestaat er geen actieve Gaveau-fabriek meer; de waarde van het merk ligt in het historisch repertoire, de unieke Franse toon en het culturele kapitaal dat aan de naam verbonden is.
Chronologie
• 1840s–1870s – Oprichting Gaveau in Parijs; opbouw van werkplaats naar fabriek.
• 1880s–1900s – Uitbreiding productie; groei portfolio van pianino’s, hoge uprights en salonvleugels.
• 1907 – Opening van de Salle Gaveau in Parijs; concertpodium en merkvitirine.
• 1910s–1920s – Modernisering schaalontwerpen en gietramen; stabiele export in Europa.
• 1930s – Economische crisis; kleinere series, focus op kwaliteit en Parijse markt.
• 1940s – Oorlogsjaren; beperkte productie en onderhoud van bestaande instrumenten.
• 1950s – Hervatting kleinschalige productie; nauwere samenwerking binnen Franse pianobouw.
• 1960s–1970s – Organisatorische bundeling met Pleyel en Érard; rationalisatie van lijnen.
• 1980s – Afnemende zelfstandige productie; merk concentreert zich op erfgoed en markt van bestaande instrumenten.
• 2000s–heden – Gaveau als historische naam; instrumenten in collecties, zalen en op de occasionmarkt.