In de vroege twintigste eeuw bouwde Pfeiffer gestaag door aan een regionale reputatie. De werkplaats in de omgeving van Stuttgart werd uitgebreid met een kleine houtopslag en later met een eigen voicing- en regulatie-afdeling. Rond de Eerste Wereldoorlog bleef de productie beperkt, maar de vraag naar degelijke huiskamerpiano’s keerde al snel terug met de opkomst van muziekverenigingen, zangkoren en theaters. Tussen de oorlogen leverde Pfeiffer naar omliggende steden en dorpen; de instrumenten stonden bekend om hun schone, open klank en mechanische stabiliteit.
De Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse jaren brachten, zoals bij veel Duitse bouwers, materiaal- en personeelskrapte. Pfeiffer hield vast aan kleine series en herstelde stap voor stap: eerst reparatie en revisie van bestaande instrumenten, daarna herstart van de nieuwbouw. In de jaren vijftig en zestig professionaliseerde de organisatie: componenten als hamers en mechaniek werden consequent bij gespecialiseerde Duitse leveranciers betrokken, terwijl de eigen fabriek zich toelegde op schaalontwerp, kastbouw, zangbodemvoorbereiding en eindafregeling. Deze taakverdeling — kritische houtdelen en klankopbouw in eigen huis, specialistische componenten via vaste partners — bleef de ruggengraat van de productie.
Vanaf de jaren zeventig moderniseerde Pfeiffer verder met CNC-voorbewerking voor stapel- en repetitie-onderdelen, waardoor tolerantieverschillen kleiner werden en de afregeling consistenter. Tegelijk bleef men vasthouden aan handmatig intoneren met naalden en vernis, en aan traditionele lijm- en fineertechnieken. De export nam toe richting Zwitserland, Oostenrijk en de Benelux; in Duitsland werd de positie versterkt via muziekpedagogische netwerken en kamermuziekpodia.
In de jaren negentig en 2000-plus concentreerde Pfeiffer zich op een compact portfolio: een reeks staande piano’s tussen circa 114 en 130 cm en een klein aantal vleugelmensuren van ongeveer 160 tot iets boven 200 cm. Er was geen noodzaak of ambitie om concertvleugels van negen voet in constante productie te nemen; de focus bleef de huiskamer, studio en kleine zaal. Samenwerkingen met regionale houtleveranciers en de overgang naar milieuvriendelijker aflakken en lijmen markeerden de tijdgeest. De fabriek bleef in Zuid-Duitsland — werkvoorbereiding, eindafregeling en kwaliteitscontrole dicht bij elkaar — met een showroomfunctie in de stedelijke omgeving.
Vandaag werkt Pfeiffer met een klein team van ervaren pianobouwers, stemmers en intoneurs. De productie is bewust laag, zodat elk instrument meerdere keren in de keten wordt bekeken en beluisterd. Actuele instrumenten worden opgebouwd met Röslau-snaren, Europees naaldhout voor zangboden (veelal Alpenspar), Renner- of gelijkwaardige mechaniekcomponenten en hamers uit het Abel-/Renner-ecosysteem. De afregeling is minutieus, met aandacht voor downweight/upweight, escapement en demperbalans. De levertijd is langer dan bij massamerken, maar de fabrieks- en dealerservice is kort en persoonlijk doordat de lijnen in de regio kort blijven.
Chronologie
• 1860s – Oprichting van Pfeiffer in de regio Stuttgart; start als kleinschalige werkplaats.
• 1890s – Uitbreiding naar serieproductie in kleine aantallen; eerste leveringen aan kerken en verenigingen.
• 1914–1918 – Beperkte productie tijdens de oorlog; focus op reparatie en onderhoud.
• 1920s – Herleving van de afzet; introductie van salonvleugels naast huiskamerpiano’s.
• 1930s – Verdere professionalisering van kastenbouw en voicing-afdeling.
• 1945 – Herstart in naoorlogse periode; nadruk op revisie en later nieuwbouw.
• 1950s – Structurele samenwerking met Duitse toeleveranciers voor mechaniek en hamers.
• 1960s – Portfolio-vernieuwing; introductie van hogere staande modellen (>120 cm).
• 1970s – Inzet van CNC-voorbewerking voor maatvastheid in repetitie-onderdelen.
• 1980s – Stabiele export naar Zwitserland en de Benelux; focus op kamermuziekmarkt.
• 1990s – Compact portfolio: 114–130 cm uprights, 160–200 cm vleugels; milieuvriendelijker lakken.
• 2000s – Verbetering van kastafwerking en langere seasoning van hout; modernisering van de spuiterij.
• 2010s – Fijnere voicing-methodiek; verduidelijking van modelnamen/maatvoering.
• 2020s – Continuering als nichebouwer met kleine series; digitale pre-sales en nauwe dealerbetrokkenheid.